◄▬ Afdoen op stelplicht - 2021 De Haan ▬►
Inhoudsopgave Afdoen op stelplicht
Afdoen op stelplicht 2006 Huydecoper 2012 Asser
2016 De Bock 2018 Van der Kraats 2021 De Haan
2021 De Bock Hof Den Bosch (1) Hof Den Bosch (2)
Varianten Hof Arnhem-Leeuwarden Hof Den Bosch
De nieuwe grief De draaipoort zaak  


2021 Jurriaan de Haan, Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. een kritische blik op het afdoen op de stelplicht, Ars Aequi 2021 p.450


De Haan acht de bevindingen van Van der Kraats zorgwekkend:
Volgens haar is, gelet op het grote aantal zaken dat op de stelplicht wordt afgedaan en het (bijgevolg) geringe aantal bewijsopdrachten dat wordt verstrekt, de stelplicht geen kraaienpoot, maar een ‘sinkhole’. Zij concludeert op basis van haar onderzoek (dossieronderzoek en interviews met rechters) dat rechters de lat voor de stelplicht in de praktijk zó hoog leggen dat het een werkelijke barrière vormt voor partijen om hun materiële rechten verwezenlijkt te krijgen. Dat is een zorgwekkende conclusie.


Het beeld is ontstaan dat de civiele rechter te gemakkelijk zaken op de stelplicht afdoet. Nu dit een barrière vormt voor partijen om hun materiële rechten verwezenlijkt te krijgen, verdient deze praktijk een kritische blik. De rechter zou partijen meer tot bewijslevering moeten toelaten, en als hij een zaak wel op de stelplicht afdoet, beter moeten uitleggen waarom hij dit doet.

1 Inleiding

Algemeen aanvaard is dat civiele procedures dienen als middel voor het verwezenlijken van de materiële rechten van burgers en bedrijven.1 Het bewijsrecht regelt het verzamelen en beoordelen van bewijs in een civiele procedure. Het uiteindelijke doel van het bewijsrecht is mogelijk te maken dat de rechter op basis van een zo volledig en correct mogelijk vastgesteld feitencomplex een juiste en rechtvaardige beslissing neemt.2

Van oudsher wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de stelfase waarin op grond van artikel 149 Rv een processueel waarheidsbegrip geldt waarbij een door de ene partij gesteld en door de andere partij niet (voldoende) betwist feit door de rechter als vaststaand moet worden beschouwd, en anderzijds een fase van bewijslevering waarin met toepassing van artikel 150 Rv wordt onderzocht hoe het werkelijk zit, met name door het horen van getuigen of benoeming van een deskundige door de rechter. 3 De regel is dat de stelplicht voorafgaat aan (eventuele) bewijslevering. Wie niet genoeg feiten stelt voor het door hem ingeroepen rechtsgevolg, moet niet tot bewijslevering worden toegelaten.4 Het afdoen van zaken in de stelfase door de civiele rechter wordt in de literatuur gezien als een probleem. Asser heeft hiervoor de metafoor van de kraaienpoot 5 gemunt. Hij zegt het zo: ‘Tot de meest gestrooide juridische kraaienpootjes behoort al een tijdje de dooddoener dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Bewijs, met name aangeboden getuigenbewijs, mag dan niet meer worden geleverd.’ Vandaar dat Asser de stelplicht een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding noemt.6 

In haar artikel in dit tijdschrift uit 2018 gaat Van der Kraats verder.7 Volgens haar is, gelet op het grote aantal zaken dat op de stelplicht wordt afgedaan en het (bijgevolg) geringe aantal bewijsopdrachten dat wordt verstrekt, de stelplicht geen kraaienpoot, maar een ‘sinkhole’.8 Zij concludeert op basis van haar onderzoek (dossieronderzoek en interviews met rechters) dat rechters de lat voor de stelplicht in de praktijk zó hoog leggen dat het een werkelijke barrière vormt voor partijen om hun materiële rechten verwezenlijkt te krijgen. 

Dat is een zorgwekkende conclusie. In deze bijdrage zal ik een aantal oplossingsrichtingen de revue laten passeren. Daarbij wordt verschillend het initiatief gelegd bij de rechter of bij partijen (paragraaf 2). Ik zoek de oplossing in de motiveringsplicht van de rechter (paragraaf 3). Deze bijdrage wordt afgesloten met enkele beschouwende opmerkingen (paragraaf 4).

12-6-2024

◄▬ 2021 De Haan ▬►
Powered by Website Baker