| ◄▬ | Afdoen op stelplicht - 2021 De Bock | ▬► |
| Afdoen op stelplicht | 2006 Huydecoper | 2012 Asser |
| 2016 De Bock | 2018 Van der Kraats | 2021 De Haan |
| 2021 De Bock | Hof Den Bosch (1) | Hof Den Bosch (2) |
| Varianten | Hof Arnhem-Leeuwarden | Hof Den Bosch |
| De nieuwe grief | De draaipoort zaak |
2021 – Conclusie A-G De Bock dd. 24-12-2021 ECLI:NL:PHR:2021:1228
“Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’, waarvan het resultaat is dat de rechter uitspraak doet op basis van aannames in plaats van feiten. Vanuit een oogpunt van waarheidsvinding is dit een onwenselijke gang van zaken.” (§ 4.29)
“En als het niet voldoen aan de stelplicht fungeert als blokkering voor de waarheidsvinding, zal de rechter zich op zijn minst de volgende controlevraag moeten stellen: wat had de steller/betwister in redelijkheid meer of anders kunnen en moeten stellen? 59 Verder kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rechter alleen dient te oordelen dat een in het geding centraal staande stelling onvoldoende onderbouwd is indien dit ‘in uitgesproken mate’ het geval is.60 Met andere woorden, als de stelling betrekking heeft op de kern van het geschil, dan moet zo min mogelijk naar deze wijze van afdoening worden gegrepen en moet de rechter gewoon uitzoeken hoe het zit.” (§ 4.34)
ConclusieBarrière: het moeten voldoen aan stelplicht
4.25 Door de advocaten is verder naar voren gebracht dat de maximering van de omvang van processtukken in hoger beroep problematisch is, omdat er een trend is dat rechters zaken afdoen op het niet voldoen aan de stelplicht.45 Daardoor is het van cruciaal belang om uitvoerig stellingen naar voren te kunnen brengen om zo te voorkomen dat de rechter oordeelt dat ‘onvoldoende gesteld is’. Om dit argument op zijn waarde te kunnen schatten, zal ik kort ingaan op de stelplicht en het ‘afdoen op stelplicht’.
4.26 Doorgaans wordt aangenomen dat de juridische grondslag voor de stelplicht te vinden is in art. 24 Rv, in samenhang met art. 149 lid 1 Rv.46 Volgens art. 24 Rv onderzoekt en beslist de rechter de zaak op de grondslag van wat partijen aan hun vorderingen, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Art. 149 lid 1 Rv bepaalt, kort gezegd, dat de rechter gebonden is aan de stellingen die door partijen in de procedure naar voren zijn gebracht en aan de feiten die volgens de wettelijke bepalingen zijn komen vast te staan. Ahsmann omschrijft de stelplicht algemener, namelijk als ‘de algemene verplichting tot informatieverschaffing nodig voor de beslissing van de rechter’.47 De basis voor de stelplicht legt zij daarmee in het samenstel van de bepalingen van art. 21 Rv, art. 23 Rv, art. 24 Rv, art. 111 Rv, art. 149 Rv en art. 150 Rv.
4.27 Met het ‘afdoen op stelplicht’ wordt gedoeld op uitspraken waarin de rechter overweegt dat ‘onvoldoende is gesteld’, en om die reden voorbijgaat aan een stelling die is aangevoerd ter onderbouwing van vordering of verweer.48 Geoordeeld wordt dan dat de stellingen die door een partij naar voren zijn gebracht, de vordering of het verweer niet kunnen dragen. Het afdoen op stelplicht kan dus zowel ten nadele van eiser als ten nadele van gedaagde uitpakken.
4.28 Het ‘afdoen op stelplicht’ moet worden begrepen tegen de achtergrond van het onderscheid dat van oudsher wordt gemaakt tussen de stelfase en de daarop volgende fase van bewijslevering, waarin partijen met toepassing van de regels over bewijslastverdeling de gelegenheid krijgen hun (door de wederpartij betwiste) stellingen te bewijzen.49 De stelfase is dus het voorportaal van de fase van bewijslevering. Het ‘afdoen op stelplicht’ is dan een manier om een partij niet te gemakkelijk toe te laten tot de fase van bewijslevering (waar de rechter veel werk aan heeft). Dat gebeurt pas als de drempel van ‘voldoende hebben gesteld’ is gehaald.
4.29 Op het ‘afdoen op stelplicht’ bestaat veel kritiek, omdat het de weg naar feitenonderzoek afsluit.50 Asser schreef dat “tot de meest gestrooide juridische kraaienpootjes al een tijdje de dooddoener behoort dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht.” 51 Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’, waarvan het resultaat is dat de rechter uitspraak doet op basis van aannames in plaats van feiten. Vanuit een oogpunt van waarheidsvinding is dit een onwenselijke gang van zaken.
4.30 In het huidige procesrecht kan echter niet meer zo’n duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de stelfase en de bewijsfase.52 Een partij wordt geacht al direct haar stellingen zoveel mogelijk te onderbouwen en melding te maken van de bewijsmiddelen waarover zij beschikt (art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv). Als een partij zich beroept op een stuk, moet daarvan een afschrift bij het processtuk worden gevoegd (art. 85 lid 1 Rv). Ook moet een partij steeds de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv naleven. Dat maakt dat het niet steeds voldoende is om de ‘noodzakelijke juridische en feitelijke elementen’ voor een bepaald rechtsgevolg te stellen; een partij zal daaromheen de rechter ook zo volledig mogelijk moeten voorlichten, bijvoorbeeld door het schetsen van achtergrond of context van bepaalde feiten.53 Voor wat betreft het getuigenverhoor – een van de belangrijkste bewijsmiddelen in de civiele procedure – is het niet meer nodig dat de rechter eerst een bewijsopdracht verstrekt; op grond van art. 87 lid 3 Rv kunnen getuigen en partijdeskundigen direct op de mondelinge behandeling worden gehoord. Ook hiermee worden stelfase en bewijsfase in elkaar geschoven.
4.31 Bovendien biedt het onderscheid tussen stelfase en bewijsfase een conceptueel kader dat minder goed past bij een actieve rechter, die op zoek is naar de materiële waarheid en in dat kader tracht zoveel mogelijk informatie te verzamelen, los van de vraag bij welke partij de stelplicht c.q. de bewijslast ligt.54 Daarbij komt dat we in de civiele procedure vaak te maken hebben met impliciete (of oneigenlijke) bewijsbeslissingen, dat wil zeggen beslissingen over het al dan niet bewezen zijn van feitelijke stellingen van een partij op grond van een waardering van de bewijsmiddelen die partijen bij hun processtukken hebben gevoegd, zonder dat er een afzonderlijke fase van bewijslevering heeft plaatsgevonden.55 In zo’n geval geeft de rechter geen bewijsopdracht aan een partij, wordt geen deskundigenbericht ingewonnen of een partij verzocht nadere schriftelijke bewijsstukken in te dienen, maar wordt na stukkenwisseling en (eventuele) mondelinge behandeling, een eindbeslissing genomen die ook een bewijsbeslissing behelst. Stellen kruipt dan op in de richting van bewijzen, zoals Ahsmann het omschrijft.56
4.32 Van Schaick merkt terecht op dat ‘stelplicht’ in de praktijk ook ‘reageer- en motiveerplicht’ is. Het processuele debat kan van partijen vergen dat zij hun stellingen motiveren, aanvullen en nader motiveren.57 Of dat partijen hun stellingen alvast in enige mate onderbouwen met bewijsstukken of anderszins toelichten waarom hun stellingen aannemelijk zijn. Uit deze ruimere invulling van het begrip ‘stelplicht’ volgt dat ‘het niet voldoen aan de stelplicht’ méér omvat dan ‘niet genoeg stellingen innemen’. Niet voldoen aan de stelplicht kan ook betekenen dat de rechter vindt dat een partij – in het licht van het processuele debat – onvoldoende heeft gereageerd op stellingen van de wederpartij, dat de stellingen te globaal zijn, dat de stellingen onvoldoende zijn toegelicht (uitgelegd), dat een partij heeft nagelaten zijn stellingen aan te vullen als reactie op wat de wederpartij naar voren bracht, of dat de stellingen onaannemelijk zijn omdat ze in het geheel niet zijn onderbouwd of anderszins aannemelijk zijn gemaakt. Met dat laatste beoogt de rechter stellingen in een processtuk die in feite niet meer zijn dan ‘losse flodders’ terzijde te schuiven. Denk aan een eiser die miljoenen schadevergoeding vordert zonder enige onderbouwing te geven voor een schadepost, of aan een gedaagde die ‘alles’ betwist, terwijl overduidelijk is dat op zijn minst een deel van de stellingen van eiser wél feitelijk klopt. Of aan processtukken waarin systematisch álle mogelijke denkbare verweren worden opgevoerd (ik was er niet en als ik er al was heb ik geen overeenkomst gesloten, en als ik al een overeenkomst heb gesloten dan ben ik hem nagekomen, en als ik hem niet ben nagekomen dan had ik een opschortingsrecht, en als ik geen opschortingsrecht had, dan was de niet-nakoming niet toerekenbaar, en als het wel toerekenbaar is, dan heeft de wederpartij te laat geklaagd, en als al tijdig is geklaagd, dan zijn er algemene voorwaarden die schadeplichtigheid uitsluiten, etc., etc.). Als de rechter geconfronteerd wordt met zo’n rits van verweren zal zij stellingen die duidelijk pro forma naar voren zijn gebracht, verwerpen met het argument dat onvoldoende is gesteld.
4.33 Er is dus een breed scala aan situaties dat wordt gedekt door de overweging dat ‘onvoldoende is gesteld’. In maar weinig gevallen bedoelt de rechter daarmee dat meer pagina’s tekst hadden moeten worden aangeleverd. Het zal er veel meer om gaan dat een partij preciezer had moeten ingaan op de stellingen van de wederpartij, dat bepaalde stellingen in meer detail hadden moeten worden uitgewerkt, dat beter had moeten worden toegelicht wat bedoeld wordt met een bepaalde stelling, of dat een partij op zijn minst enige (schriftelijke) bewijsstukken ter onderbouwing van een bepaalde stelling in het geding had moeten brengen om deze een begin van aannemelijkheid te geven. Daarmee is ook gezegd dat ‘meer pagina’s tekst’ niet de kern raakt van de problematiek van het afdoen op stelplicht.
4.34 Dat doet er niet aan af dat er veel is aan te merken op het afdoen van zaken op stelplicht. Om te beginnen zou de rechter, vanwege de onduidelijkheid over de formulering ‘onvoldoende gesteld’, preciezer moeten formuleren wat zij in een concreet geval daarmee nu precies bedoelt. Verder zou de rechter, voordat gegrepen wordt naar deze manier van afdoen, eerst aan een partij – ter zitting – moeten voorhouden wat zij als tekortkoming beschouwt aan de stellingen van een partij en die partij in de gelegenheid moeten stellen nog een toelichting te geven. In de eerste aanleg is dit ook de gebruikelijke gang van zaken.58 En als het niet voldoen aan de stelplicht fungeert als blokkering voor de waarheidsvinding, zal de rechter zich op zijn minst de volgende controlevraag moeten stellen: wat had de steller/betwister in redelijkheid meer of anders kunnen en moeten stellen? 59 Verder kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rechter alleen dient te oordelen dat een in het geding centraal staande stelling onvoldoende onderbouwd is indien dit ‘in uitgesproken mate’ het geval is.60 Met andere woorden, als de stelling betrekking heeft op de kern van het geschil, dan moet zo min mogelijk naar deze wijze van afdoening worden gegrepen en moet de rechter gewoon uitzoeken hoe het zit.
4.35 Het komt er dus op neer dat niet eenvoudigweg kan worden betoogd dat een advocaat wel veel tekst móet aanleveren, omdat zij anders geconfronteerd wordt met de valbijl dat ‘onvoldoende is gesteld’. De zaken liggen aanzienlijk genuanceerder.
Noten
45 S.o. NOvA onder 2.4.2; s.o. Advocaten onder 6.6.46 Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/94; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/100.
47 M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 3.4.2.
48 Volgens Van Schaick is dit ‘een gebruikelijke praktijk’, zie Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/95. Van der Kraats schrijft in haar proefschrift dat in de door haar onderzochte zaken driekwart van de zaken op stelplicht zijn afgedaan, zie K.F.G. van der Kraats, De (eigen)aardigheid van de kantonrechter (diss. UU), Den Haag 2017, par. 4.3.3. Zie ook K.G.F. van der Kraats, ‘De stelplicht: geen kraaienpoot maar een “sinkhole”’, Ars Aequi 2018/3, p. 262-266.
49 J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5.
50 Zie onder meer Asser Procesrecht/Asser 3 2017/219; M.J.A.M. Ahsmann, ‘Bewijs: verschuiving van ‘bewijzen’ naar ‘stellen’?’, in: Bewijsrecht (bijdragen jaarvergadering Nederlandse Vereniging voor Procesrecht 2009), 2010, p. 13-27 en p. 188-190; R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure (diss. Tilburg), 2011, p, 99 e.v.; J.L.R.A. Huydecoper, ‘We hebben er wat mee te stellen’. In: Trema 2002, p. 209-214. Vgl. ook G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, 2015, nr. 69.
51 W.D.H. Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’, TCR 2012/4.1.
52 J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, Ars Aequi 2021/5.
53 Vgl. M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 3.4.4.
54 Zie hierover Asser Procesrecht/Asser 3 2017/35.
55 R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid. Over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer 2011, p. 20-22.
56 M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 11.7.1.
57 Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/94. Vgl. ook G.C.C. Lewin, die het heeft over een verfeitelijkingsplicht en de motiveringsplicht, in zijn noot onder HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, JBPR 2015/68.
58 Zie ook T. Hidma, ‘Over de kraaienpootjes van Vrouwe Justitia: Open vizier tijdens de mondelinge behandeling’, in: R. de Bock, R. Klomp & E. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020, p. 147-154.
59 Zie G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3; J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5 (AA20210450).
60 Zie hierover de conclusie van A-G Huydecoper bij HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, onder 8 en mijn conclusie voor HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:305, onder 3.10 en 3.29.
12-6-2024
| ◄▬ | 2021 De Bock | ▬► |