| ◄▬ | Afdoen op stelplicht - 2006 Huydecoper | ▬► |
| Afdoen op stelplicht | 2006 Huydecoper | 2012 Asser |
| 2016 De Bock | 2018 Van der Kraats | 2021 De Haan |
| 2021 De Bock | Hof Den Bosch (1) | Hof Den Bosch (2) |
| Varianten | Hof Arnhem-Leeuwarden | Hof Den Bosch |
| De nieuwe grief | De draaipoort zaak |
2006 - Conclusie A-G Huydecoper dd. 11-11-2005 ECLI:NL:HR:2006:AU9729
Al in 2006 schetste de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad Huydecoper het probleem in hoeverre de rechter aan partijstellingen voorbij mag gaan. Hij komt tot de conclusie (§ 9):
"De partij die een (stand)punt naar voren heeft gebracht dat niet op aannemelijke gronden als (klaarblijkelijk) onjuist en/of niet serieus gemeend kan worden beoordeeld, en dat in de aan de rechter voorgelegde geschillen een wezenlijke rol kan spelen, heeft er aanspraak op dat dat punt in de beoordeling wordt betrokken en dat hij - deze partij - niet "met een kluitje in het riet wordt gestuurd", met een overweging die ertoe strekt dat er (nog) meer aan onderbouwing, toelichting of ondersteuning met preliminair (bewijs)materiaal had mogen worden verwacht."
Conclusie
6) Het geschil in cassatie betreft een probleem dat zowel principieel als praktisch van belang is: namelijk in hoeverre de rechter partijstellingen inhoudelijk moet beoordelen dan wel daaraan voorbij mag - of voorbij moet (2) - gaan, omdat die stellingen niet dan wel niet duidelijk genoeg ter beoordeling zijn voorgelegd.
Dat dit vraagpunt van praktisch belang is, spreekt wel voor zichzelf. Het wordt geïllustreerd door het feit dat geschillen over dit probleem, in de ene of de andere vorm (3), zéér veelvuldig aan de Hoge Raad worden voorgelegd.
De principiële kant zie ik hierin, dat het nu eenmaal de kern van de rechterlijke taak is, om de geschillen die aan hem (de rechter, niet de taak) worden voorgelegd, te beoordelen; en dat de rechter bij de uitoefening van die taak alle feiten en argumenten die correct te zijner kennis zijn gebracht, in de beoordeling behoort te betrekken. De aanspraak van de burger op toegang tot de rechter en op een eerlijke (maar ook behoorlijke) beoordeling van zijn zaak, brengt zowel het een als het ander met zich mee. In zoverre kan men zeggen dat de rechter die op ontoereikende gronden aan partijstellingen voorbij gaat, partijen datgene onthoudt wat de kern van de hier bedoelde rechten vormt. Dat mag men toch wel als iets principieels beschouwen (4).
7) Voor de beoordeling in cassatie speelt in dit verband een (belangrijke) rol, dat het aan de "feitelijke" rechter is voorbehouden, de partijstellingen en verdere uit de processtukken op te maken gegevens te interpreteren. Dat geldt ook voor de vraag of bepaalde stellingen voldoende zijn onderbouwd, dan wel voldoende gemotiveerd zijn betwist (5). In cassatie kan een dergelijk oordeel daarom maar in beperkte mate op juistheid worden onderzocht; wel kan zo'n oordeel met motiveringsklachten worden bestreden.
8) Uit de casuïstiek over dit onderwerp zijn, ook als het om de beoordeling in cassatie gaat, verder maar weinig "harde" regels op te maken. Dat hoeft ook niet te verbazen: voor de vraag of de "feitelijke" rechter in een bepaald geval kon oordelen dat stellingen (on)voldoende gemotiveerd zijn aangevoerd (c.q. betwist), zijn de concrete omstandigheden van de desbetreffende zaak - die zeer verschillend plegen te zijn - van beslissend belang. In de eerste plaats gaat het dan natuurlijk om de mate waarin een te onderzoeken stelling daadwerkelijk met concrete feiten is onderbouwd c.q. nader is toegelicht. Maar daarnaast kan aan een scala aan "bijkomende" omstandigheden betekenis toekomen.
In hoeverre gaat het, bijvoorbeeld, om een gegeven dat zich voor concrete feitelijke onderbouwing leent (6), dan wel een gegeven waarvan in de rede ligt dat dat nadere feitelijke onderbouwing vergt (7)? Bevindt de procespartij in kwestie zich in een positie die aannemelijk maakt dat die partij aanzienlijk méér over het te beoordelen gegeven zou moeten weten dan in de procedure naar voren wordt gebracht (8)? Gaat het om een stelling die zich als vanzelfsprekend aandient of, integendeel, om een stelling die weinig plausibel voorkomt (9)? Gaat het om een stelling die in het partijdebat centraal staat, of wordt die in meerdere of mindere mate als bijkomend argument te berde gebracht (10)? In welk stadium van het geding, c.q. naar aanleiding van welke processuele ontwikkeling wordt de stelling ingenomen (11)?
9) Toch is het, zoals uit de eerder aangehaalde rechtspraak blijkt, niet zo dat maar bij hoge uitzondering voorkomt, dat het oordeel van de lagere rechter over het voldoen aan stelplicht (in verband met een gedaan bewijsaanbod) in cassatie als onvoldoende wordt aangemerkt. Vraagt men zich af hoe dat in het licht van de besproken regels mogelijk is, dan dringt zich het antwoord op dat de door de lagere rechter gegeven beoordeling in het licht van de omstandigheden die uit het desbetreffende dossier blijken, voldoende plausibel moet zijn. Een uitkomst die in het licht van de bedoelde omstandigheden als weinig plausibel treft (en die niet door een specifieke toelichting in de motivering "begrijpelijk wordt gemaakt"), doorstaat de toetsing in cassatie niet.
In de in voetnoot 4 aangehaalde vindplaatsen heb ik verdedigd - en op deze plaats verdedig ik graag opnieuw - dat daarbij gewicht moet worden gegeven aan de rechtsbelangen die met de trefwoorden "toegang tot de rechter" en "eerlijk proces" kunnen worden aangeduid. De partij die een (stand)punt naar voren heeft gebracht dat niet op aannemelijke gronden als (klaarblijkelijk) onjuist en/of niet serieus gemeend kan worden beoordeeld, en dat in de aan de rechter voorgelegde geschillen een wezenlijke rol kan spelen, heeft er aanspraak op dat dat punt in de beoordeling wordt betrokken en dat hij - deze partij - niet "met een kluitje in het riet wordt gestuurd", met een overweging die ertoe strekt dat er (nog) meer aan onderbouwing, toelichting of ondersteuning met preliminair (bewijs)materiaal had mogen worden verwacht.
Noten
2 Wanneer een stelling zo gebrekkig wordt voorgedragen dat de andere partij er onvoldoende op wordt geattendeerd dat die stelling deel van het geschil is gaan uitmaken, doet de rechter die zo'n stelling wél "oppakt" tekort aan de processuele rechten van die andere partij (althans: tenzij hij die andere partij alsnog in de gelegenheid stelt om zich op het betreffende punt teweer te stellen). Dat kan meebrengen dat de rechter stellingen van het hier bedoelde soort niet zijn oordeel mág betrekken. Men kan zich afvragen of de rechter ook aan stellingen voorbij mag gaan, als aan de zojuist aangegeven minimumeis van duidelijkheid wel is voldaan, maar het gestelde niettemin veel aan duidelijkheid of volledigheid te wensen laat. Men pleegt aan te nemen dat die ruimte er wel is, zoals uit de hierna te bespreken rechtsleer blijkt.3 Het probleem komt aan de orde als in geding is of de rechter van de lagere instantie stellingen als onvoldoende onderbouwd mocht beoordelen, dan wel of die rechter een bewijsaanbod mocht passeren omdat daar onvoldoende voor gesteld zou zijn; maar ook "gewoon" in die vorm, dat wordt geklaagd dat aan wezenlijke stellingen (zonder motivering) voorbij is gegaan, en de tegenwerping wordt ingebracht dat de rechter de bedoelde stellingen (kennelijk) heeft gepasseerd omdat die niet voldoende waren uitgewerkt/toegelicht.
4 Zie ook alinea's 8 en 9 van de conclusie voor HR 12 april 2002, Civiele Conclusies 2002, nr. 31 (p. 139 - 140), en de beschouwingen in Trema 2002, p. 210 - 214.
5 HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324 m.nt. JBMV, rov. 3.3.1; HR 18 februari 2005, NJ 2005, 283, rov. 3.6 en 3.8.3; HR 21 januari 2005, rechtspraak.nl LJN AR3151, rov. 3.5.1 - 3.5.3; HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1 m.nt. WMK, rov. 4.5; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169. Zie voor gevallen waarin de vraag was, of bepaalde stellingen met het oog op een bewijsaanbod voldoende waren onderbouwd dan wel weersproken: HR 28 januari 2005, JB 2005, 73, rov. 3.3; HR 4 juni 2004, rechtspraak.nl LJN AO5117, rov. 3.4.1; HR 14 november 2003, NJ 2005, 269 m.nt. DA onder nr. 270, rov. 3.5.2 en 3.5.3.
6 Zie bijvoorbeeld HR 31 oktober 2003, NJ 2004, 520, rov. 3.3, vierde volzin.
7 Als illustraties vermeld ik, in positieve en negatieve zin, HR 1 april 2005, rechtspraak.nl LJN AR7925, rov 3.4 (zie ook alinea's 10 en 15 - 17 van de conclusie voor het arrest) en HR 11 maart 2005, rechtspraak.nl LJN AR6199, rov. 3.3.3.
8 Een illustratie levert HR 17 november 2000, NJ 2001, 596 m.nt. DA, rov. 5.4. De "verzwaarde stelplicht" aan de kant van wegens beroepsaansprakelijkheid aangesproken "professionals" (zie bijvoorbeeld Onrechtmatige Daad (losbl.), Huijgen, VI.1 aant. 6, waar naar veel verdere vindplaatsen wordt verwezen) toont een op dit gegeven berustende vuistregel.
9 HR 4 juni 2004, rechtspraak.nl LJN AO5117, rov. 3.4.1.
10 In verband met het in voetnoot 4 aangevoerde ligt in de rede dat de rechter als het om "centrale" stellingen gaat, daaraan slechts dan voorbij behoort te gaan, als de noodzakelijke onderbouwing in uitgesproken mate blijkt te ontbreken; terwijl zijn beoordelingsvrijheid bij "perifere" stellingen in dit opzicht groter is. In het eerste geval gaat het immers om de "essentialia" van het aan de rechter voorgelegde geschil, en dus om de kern van het recht op toegang tot de rechter.
11 Voorbeelden in HR 12 december 2003, rechtspraak.nl LJN AL7070, rov. 3.3; HR 6 maart 1998, NJ 1998, 527 (zie alinea 10 van de conclusie van A - G Hartkamp). Specifiek over dit aspect: HR 15 juli 1986, NJ 1986, 766, rov. 3.3 en 3.4.
12-6-2024
| ◄▬ | 2006 Huydecoper | ▬► |