| ◄▬ | Afdoen op stelplicht - 2016 De Bock | ▬► |
| Afdoen op stelplicht | 2006 Huydecoper | 2012 Asser |
| 2016 De Bock | 2018 Van der Kraats | 2021 De Haan |
| 2021 De Bock | Hof Den Bosch (1) | Hof Den Bosch (2) |
| Varianten | Hof Arnhem-Leeuwarden | Hof Den Bosch |
| De nieuwe grief | De draaipoort zaak |
2016 – Conclusie A-G De Bock dd. 2-12-2016 ECLI:NL:PHR:2016:1236
"De laatste jaren is in de literatuur veelvuldig kritiek geuit op het afdoen van een zaak op schending van de stelplicht, dat wil zeggen op het 'niet voldoende gesteld hebben'.(...) het beslissen van een zaak op de grond dat stellingen niet (voldoende gemotiveerd) zijn betwist, is de spiegelzijde van ditzelfde fenomeen."
Conclusie
3.10 Bij de bespreking van dit subonderdeel is het volgende van belang.
Art. 149 Rv bepaalt in de tweede volzin dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (behoudens uitzonderingen). Het gaat hier om een regel van bewijsrecht met twee dimensies. Enerzijds mag de rechter geen bewijs verlangen van feiten waarvan de juistheid door beide partijen is erkend.3 Anderzijds mag de rechter gestelde feiten als vaststaand aannemen, indien de wederpartij die feiten onvoldoende heeft betwist. In dat laatste geval neemt de rechter in feite een (impliciete) bewijsbeslissing: het gestelde feit wordt aannemelijk geacht omdat de betwisting onvoldoende (aannemelijk) is, althans het gestelde wordt méér aannemelijk geacht dan de betwisting daarvan.4 Dit kan zich voordoen als de betwisting te summier is (een 'blote ontkenning'),5 niet goed begrijpelijk, inconsistent, onvoldoende gedetailleerd, onvoldoende toegelicht of niet of onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken. Bovendien zal de betwisting steekhoudend moeten zijn, dat wil zeggen dat zij de feitelijke of juridische onderbouwing van de vordering moet raken.6 Steeds gaat het dus om de kwaliteit van de betwisting.7 Asser wijst er echter op dat de rechter níet mag vergen dat een betwisting altijd een voldoende weerlegging van het gestelde feit meebrengt. Ook kan niet steeds een onderbouwing met bewijsstukken worden gevraagd van de betwistende partij; de rechter moet wel voor ogen houden welke partij de bewijslast draagt.8 Wat in een concreet geval van een betwistende partij mag worden gevraagd, hangt af van de omstandigheden van het geval, dat wil zeggen: van de ontwikkeling van het processuele debat in het concrete geval. In het algemeen geldt dat hoe concreter, preciezer en beter onderbouwd de stellingen van de ene partij zijn, des te hoger de eisen aan de betwisting van de wederpartij zullen zijn.9 Er bestaat dus een ‘dynamisch verband’ tussen stellen en betwisten, zo zou men kunnen zeggen.10
Voorts is nog op te merken dat onder 'betwisting' alles valt wat een partij in de procedure naar voren heeft gebracht in het kader van haar verweer.11 De rechter mag zich dus niet alleen baseren op het laatste processtuk (in dit geval het proces-verbaal van de comparitie). Evenmin mag de rechter ervan uitgaan dat een bepaald verweer (een 'betwisting') is prijsgegeven omdat een partij niet ter comparitie is verschenen 12 of (in de tijd dat nog gere- en dupliceerd werd) omdat een partij heeft afgezien van het nemen van een conclusie van dupliek.13
(...)
3.29 Ik merk ten slotte nog het volgende op.
De laatste jaren is in de literatuur veelvuldig kritiek geuit op het afdoen van een zaak op schending van de stelplicht, dat wil zeggen op het 'niet voldoende gesteld hebben'.31 Ook de Hoge Raad oordeelt met enige regelmaat dat de rechter ten onrechte een partij niet toelaat tot bewijslevering op de enkele grond dat niet voldaan is aan de stelplicht.32 Wat in de onderhavige zaak aan de orde is, het beslissen van een zaak op de grond dat stellingen niet (voldoende gemotiveerd) zijn betwist, is de spiegelzijde van ditzelfde fenomeen. Ook hier geldt derhalve dat de rechter vóórdat hij oordeelt dat een partij een stelling van haar wederpartij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (en dus niet wordt toegekomen aan bewijslevering), uit een oogpunt van behoorlijke rechtsbedeling zich de volgende vragen zou moeten stellen:33
- hoe gedetailleerd of onderbouwd is de stelling van de wederpartij, waarop de betwisting betrekking heeft?
- gaat het om een stelling die zich leent voor een meer uitvoerige dan wel beter onderbouwde betwisting?
- gaat het om een stelling waarvan het in de rede ligt dat een meer uitvoerige dan wel beter onderbouwde betwisting wordt gegeven?
- gaat het om een stelling die centraal staat in het partijdebat of om een bijkomend argument? Bij een centraal staande stelling alleen oordelen dat de betwisting onvoldoende is indien dit in uitgesproken mate het geval is;
- bevindt de betreffende partij zich in een positie die aannemelijk maakt dat zij een meer uitvoerige dan wel beter onderbouwde betwisting kan geven?
- in welk stadium van het geding respectievelijk naar aanleiding van welke processuele ontwikkeling vindt de betwisting plaats?Hierbij dient dan bovendien steeds bedacht te worden dat niet zóveel aan onderbouwing van of toelichting op de betwisting mag worden gevraagd, dat in feite de bewijslast naar de betwistende partij wordt verschoven (vergelijk hiervoor onder 3.10).34
Noten
31 Zie onder meer Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/95; Asser Procesrecht/Asser 3 2013/2016, 219; M.J.A.M. Ahsmann, 'Bewijs: verschuiving van 'bewijzen' naar 'stellen'?'. In: Bewijsrecht (bijdragen jaarvergadering Nederlandse Vereniging voor Procesrecht 2009), Den Haag 2010, p. 13-27; Ahsmann a.w., p. 188-190; De Bock, a.w. p, 99 e.v.; J.L.R.A. Huydecoper, 'We hebben er wat mee te stellen'. In: Trema 2002, p. 209-214; W.D.H. Asser, Een kraaienpoot op de weg naar de waarheidsvinding. In: TCR 2012, p. 107-108. Zie voorts de conclusie van A-G Huydecoper bij HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729. Vgl. ook G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken. Deventer 2015, nr. 69.32 HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, NJ 2016/408; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2806 (Stichting Meridiaan College); HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5369 (Aventura); HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7887 (Vetveredeling Moerdijk); HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106 (Dexia/[...]).
33 Langs dezelfde lijnen als voor de stelplicht uiteen is gezet door A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, onder punt 8.
34 Asser Procesrecht/Asser 3 2013/101.
12-6-2024
| ◄▬ | 2016 De Bock | ▬► |