| ◄▬ | Afdoen op stelplicht | ▬► |
| Afdoen op stelplicht | 2006 Huydecoper | 2012 Asser |
| 2016 De Bock | 2018 Van der Kraats | 2021 De Haan |
| 2021 De Bock | Hof Den Bosch (1) | Hof Den Bosch (2) |
| Varianten | Hof Arnhem-Leeuwarden | Hof Den Bosch |
| De nieuwe grief | De draaipoort zaak |
| Afdoen op stelplicht | Spanningsveld | Onrechtmatige rechtspraak |
| WRRA | Rechterlijke taakvervulling | EHRM rechtspraak |
| Rechterlijk vandalisme |
'Afdoen op stelplicht' wil zeggen dat de rechter de vordering van de eiser of het verweer van de gedaagde afwijst omdat deze daarvoor onvoldoende feiten of rechten heeft gesteld. Bewijslevering wordt ontzegd.
Verkade: "Als eiser niet aan zijn stelplicht voldoet, is het gestelde ontoereikend voor de door hem beoogde rechtsgevolgen. Indien onvoldoende wordt gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen".
Hetzelfde geldt voor de gedaagde/verweerder.
Conclusie A-G Verkade NJ 2007,203 ('Cursus Verkade'):
4. Stelplicht en bewijslast; inleidende opmerkingen
4.1.
Voordat ik aan de bespreking van het cassatiemiddel toekom, schets ik de verplichtingen van partijen die voortvloeien uit de stelplicht en de daarmee onlosmakelijk verbonden bewijslast. Artikel 150 Rv luidt:
'De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit:
4.2.
Aan de bewijslast gaat de stelplicht vooraf. Uit art. 150 Rv volgt dat een partij die een beroep doet op een rechtsgevolg een stelplicht heeft ten aanzien van de feiten die tot dat rechtsgevolg leiden. Dit houdt in dat die partij moet aanvoeren dat die feiten zich hebben voorgedaan en dat zij duidelijk moet maken dat en waarom de rechter die feiten als vaststaand moet aannemen en aan zijn beslissing ten grondslag moet leggen. Als eiser niet aan zijn stelplicht voldoet, is het gestelde ontoereikend voor de door hem beoogde rechtsgevolgen.7 Indien onvoldoende wordt gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.8
Aan de bewijslast is verbonden het zgn. bewijsrisico. De partij die de bewijslast heeft, draagt het risico dat de gestelde feiten niet bewezen worden. Dat geldt ook als deze feiten niet bewezen kûnnen worden, terwijl het tegendeel evenmin te bewijzen valt (de zgn. non liquetsituatie).9
4.3. Afgezien van de eis van het gemotiveerd verweer, kan de gedaagde ook een stelplicht en een bewijslast hebben, nl. indien en voorzover hij zich beroept op een of meer zelfstandige feiten met rechtsgevolgen. Het gaat dan met name om feiten met rechtsgevolgen die de toewijzing van de vordering blokkeren doordat de rechtsgrond waarop eiser zijn vordering baseert en op zichzelf
kan baseren, in dit geval (toch) niet (meer) aanwezig is.
Het afdoen op stelplicht is in de afgelopen jaren ernstig bekritiseerd. De conclusies van A-G Huydecoper (2006) en A-G De Bock (2016 en 2021) en de artikelen van Asser (2012), Van der Kraats (2018) en De Haan (2021) geven een goed beeld van deze problematiek.
Van der Kraats vermeldt "dat circa driekwart van de zaken op stelplicht wordt afgedaan" !
Strooien met kraaienpoten op de weg wordt beschouwd als vandalisme. Bijv.
https://www.omroepwest.nl/nieuws/3971190/vandalisme-in-duindorp-zelfgefabriceerde-kraaienpoten-en-brandjes
Vandalisme in Duindorp: zelfgefabriceerde kraaienpoten en brandjes
1 december 2019,
DEN HAAG - De politie van Scheveningen waarschuwt voor zelfgefabriceerde kraaienpoten in Duindorp. Minstens één auto heeft lek gereden door de spijkers. (...)
In het rechtsverkeer door de rechter strooien met kraaienpoten op de weg van de rechtzoekende naar de waarheid en het verlangde recht (Asser) of nog erger, het aanleggen van sinkholes (Van der Kraats) is evenzeer vandalisme, dat volstrekt niet thuis hoort in de rechtsstaat.
A-G De Bock 2021; "“Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’, waarvan het resultaat is dat de rechter uitspraak doet op basis van aannames in plaats van feiten. Vanuit een oogpunt van waarheidsvinding is dit een onwenselijke gang van zaken.” (§ 4.29)
Het afdoen op stelplicht blokkeert een eerlijk proces en is dus in strijd met art. 6 lid 1 EVRM.
De rechtzoekende heeft fundamenteel recht op veilig rechtsverkeer, gevrijwaard van rechterlijk vandalisme.
Het gaat hier om het ‘spanningsveld’ tussen enerzijds de gerechtshoven, die in hoger beroep uitspraak doen, en anderzijds de Hoge Raad der Nederlanden, die in cassatie over de beslissingen van de gerechtshoven oordeelt.
De Hoge Raad beoordeelt in cassatie of de lagere rechter bij een uitspraak het recht juist heeft toegepast en of de procedure juist is gevolgd.
De website van de Hoge Raad vermeldt ( )
Over de Hoge Raad
De Hoge Raad der Nederlanden is de hoogste rechter in Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij is dat ook voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De Hoge Raad is geen derde instantie maar cassatierechter. Dat betekent dat de Hoge Raad beoordeelt of een lagere rechter (rechtbank/gerechtshof) bij een uitspraak het recht juist heeft toegepast en of de procedure juist is gevolgd.
Belangrijke kenmerken van de cassatieprocedure
• De Hoge Raad stelt geen feiten vast, maar gaat uit van de feiten en omstandigheden die zijn vastgesteld door de lagere rechter (rechtbank of gerechtshof).
• In de cassatieprocedure onderzoekt de Hoge Raad of de lagere rechter het recht op juiste wijze heeft uitgelegd en toegepast.
• Ook beoordeelt de Hoge Raad of de lagere rechter geen procedurele fouten heeft gemaakt en of de uitspraak begrijpelijk is gemotiveerd.
De Hoge Raad heeft drie kerntaken
• Een bijdrage leveren aan rechtsontwikkeling
• Het bieden van individuele rechtsbescherming
• Het waarborgen van rechtseenheid
Het ‘spanningsveld’ zit in de waardering door de lagere rechter van stellingen, die over en weer door de partijen in de procedure zijn ingenomen.
Een feitelijke en niet onbegrijpelijke waardering door het gerechtshof van de stellingen van partijen leent zich niet voor cassatie.
De waardering van de stellingen van partijen kan desalniettemin meebrengen dat geen recht wordt gedaan aan argumenten van een partij die doorslaggevend zijn voor de uitkomst van de procedure, namelijk in het geval waarin – zo op het eerste gezicht feitelijk en niet onbegrijpelijk - wordt overwogen dat onvoldoende is gesteld, hetgeen ook wel wordt aangeduid als: ‘afdoen op stelplicht’.
Slechts in uitzonderlijke gevallen kan sprake zijn van onrechtmatige rechtspraak, namelijk indien de rechter in zijn rechtsprekende taak opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt. Dit geldt niet alleen voor arbitrage maar ook voor overheidsrechtspraak. De Staat is dan aansprakelijk en ingeval van opzet of bewuste roekeloosheid ook de rechter zelf.
HR 04-12-2009 Greenworld ECLI:NL:HR:2009:BJ7834
3.5 Mede gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 nader omschreven punten van overeenstemming tussen overheidsrechtspraak en de in Boek 4 Rv. geregelde arbitrage, moet ten aanzien van beide vormen van rechtspraak worden aanvaard dat slechts in uitzonderlijke gevallen een na instelling van een rechtsmiddel onjuist bevonden (scheids)rechterlijke uitspraak kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig handelen. (...)
3.6 Het voorgaande neemt niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarin blijkt dat de (scheids)rechter met betrekking tot de vernietigde uitspraak opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt. Moeilijk kan worden aanvaard dat zelfs in een dergelijk geval geen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad zou bestaan. Wat de overheidsrechter betreft, geldt hier art. 42 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Daaruit volgt, mede gelet op de bij de parlementaire behandeling gegeven toelichting, dat de betrokken rechterlijke ambtenaar niet persoonlijk aansprakelijk is voor schade die een gevolg is van een onjuiste rechterlijke uitspraak, maar dat indien de Staat terzake met succes zou kunnen worden aangesproken en sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de rechterlijke ambtenaar wel op hem regres kan worden genomen. (...)
Zulks geldt niet alleen voor inhoudelijke fouten maar ook voor processuele misslagen. De maatstaf van het Greenworld arrest betreft niet zogenaamde 'bedrijfsfouten', zoals het zoekmaken van stukken.
HR 30-09-2016 QNOW ECLI:NL:HR:2016:2215
3.4.2 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. In rov. 3.5 van het hiervoor in 3.4.1 genoemde Greenworld-arrest is erop gewezen dat overheidsrechtspraak en de in Boek 4 Rv geregelde arbitrage op diverse punten met elkaar overeenstemmen. In dat arrest is geoordeeld dat arbiters voor de nadelige gevolgen van een vernietigde beslissing slechts persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld indien zij met betrekking tot die beslissing opzettelijk of bewust roekeloos hebben gehandeld, dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
3.4.3 Hoewel het Greenworld-arrest betrekking had op een geval van vernietiging van een arbitrale uitspraak op inhoudelijke gronden en de motivering van het arrest vooral daarop is toegespitst, is er geen grond om de maatstaf van dat arrest te beperken tot vernietiging van een arbitraal vonnis op inhoudelijke gronden. In rov. 3.5 van het Greenworld-arrest is reeds gewezen op de mogelijkheid van vernietiging van een arbitrale uitspraak in verband met een processuele fout. Ook het niet (toezien op het) naleven van het voorschrift van art. 1057 lid 2 Rv is een zodanige fout. Er is geen grond om in dit verband een onderscheid te maken tussen enerzijds processuele fouten – of bepaalde processuele fouten – en anderzijds fouten bij de inhoudelijke beoordeling van een zaak. Ook bij de inhoudelijke beoordeling kunnen immers fouten worden gemaakt die geen verband houden met beoordelingsvrijheid, maar in meerdere of mindere mate kunnen worden gekwalificeerd als misslagen of omissies.
De vraag naar de aansprakelijkheid voor dergelijke fouten dient steeds te worden beoordeeld naar de Greenworld-maatstaf, omdat die fouten samenhangen met de rechterlijke taak van arbiters. Ook de naleving van processuele voorschriften, inclusief die bij de afhandeling van een zaak, hangt met die taak samen.
Mede omwille van de rechtszekerheid dienen alle fouten bij de uitoefening van die rechterlijke taak te worden beoordeeld naar eenzelfde maatstaf.3.4.4 Opmerking verdient dat een fout als de onderhavige dient te worden onderscheiden van de ‘bedrijfsfouten’ vermeld in de toelichting op de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Kamerstukken II 1994-1995, 24 220, nr. 3, p. 3-4, geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.18.2). De laatstgenoemde fouten – zoals het zoekmaken van stukken – kunnen niet leiden tot vernietiging van een (arbitraal) vonnis en staan ook overigens in onvoldoende verband met de rechterlijke taak om daartoe te worden gerekend.
Voor dergelijke fouten geldt de maatstaf van het Greenworld-arrest dan ook niet.
'Opzet' en 'bewuste roekeloosheid' zien op kwade trouw, terwijl 'kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt' oftewel 'grof plichtsverzuim' betrekking heeft op de aard en de objectieve ernst van de gedraging.
Conclusie A-G Rank-Berenschot voor QNOW arrest:
2.25 (...) Uit het Greenworld-arrest blijkt niet wat Uw Raad met de laatstgenoemde categorie gedragingen – die ik hierna kortheidshalve samenvat als ‘grof plichtsverzuim’ – heeft bedoeld, en in de literatuur lijkt daaraan evenmin veel aandacht te worden besteed, anders dan dat hierin, mijns inziens terecht, een betekenisvolle toevoeging, een uitbreiding, wordt gezien ten opzichte van gevallen van enkel opzet of bewuste roekeloosheid.42 Opzet en bewuste roekeloosheid zijn grofweg te beschouwen als andere bewoordingen voor wat elders ook wel bad faith of kwade trouw wordt genoemd,43,44 terwijl ik zou menen dat categorie grof plichtsverzuim minder focust op de verwijtbaarheid van de laedens, maar meer op de aard en de objectieve ernst van de gedraging. (...)
2.28 Zoals hiervoor werd aangegeven, zal voor handelen met kennelijke grove miskenning van wat een behoorlijke taakvervulling meebrengt, sprake moeten zijn van handelen dat – los van de intenties van de betrokken arbiters – in objectieve zin niet past bij een deugdelijke taakvervulling, en dient de gedraging bovendien voldoende ernstig te zijn. Mijns inziens zal daarvan in het algemeen sprake zijn wanneer in de nakoming van een als werkelijk essentieel te karakteriseren verplichting door de arbiters wordt tekortgeschoten. (...)
Reijntjes in zijn proefschrift: "Volgens de Hoge Raad kan ‘grof plichtsverzuim’ bestaan als de (scheids)rechter een wezenlijk onderdeel van zijn taak verzuimt". Afhankelijk van de omstandigheden moet de rechter een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kunnen worden, waarbij de verwijtbaarheid in zekere mate is geobjectiveerd.
M.W.J. Reijntjes, Aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak, 2023, blz. 256 ev
Met deze aanvulling uit Qnow is het ‘grof plichtsverzuim’-criterium als volgt in te vullen. Volgens de Hoge Raad kan ‘grof plichtsverzuim’ bestaan als de (scheids)rechter een wezenlijk onderdeel van zijn taak verzuimt, in het bijzonder wanneer het gaat om schending van een voorschrift dat de rechter geacht wordt te kennen, terwijl van tevoren ook duidelijk is dat schending van het voorschrift ernstige gevolgen heeft. Of de rechter in deze gevallen grof plichtsverzuim verweten kan worden, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de feitelijke gang van zaken rond de schending van het voorschrift. De omstandigheden moeten betekenen dat de rechter een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden, zij het dat de verwijtbaarheid in zekere mate is geobjectiveerd.
WRRA (Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren)
Naast aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden (art. 42 lid 1 WRRA) is ook mogelijk persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter jegens de Staat ingeval van diens opzet of bewuste roekeloosheid (art. 42 lid 2 WRRA).
Artikel 42 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
1 Voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.
2 Voor schade als bedoeld in het eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn ambt aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar jegens de Staat niet aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.
3 Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet aansprakelijk.
(...)
Memorie van Toelichting 24 220, nr. 3, Vergaderjaar 1994–1995
4. Regeling van de wettelijke aansprakelijkheid van rechterlijke
ambtenaren
In het wetsvoorstel wordt in artikel 42 een bijzondere regeling in het leven geroepen ter zake van de wettelijke aansprakelijkheid, de draagplicht en de verhaalsprocedure in geval van schade, door rechterlijke ambtenaren en raio’s in het kader van hun werkzaamheden veroorzaakt. Het gaat daarbij zowel om schade aan derden als aan de Staat zelf, als werkgever. Gedacht kan worden aan schade ten gevolge van het zoek maken van stukken, ten gevolge van een verkeersongeval op weg naar een descente, of ten gevolge van het werpen van een smeulende peuk in een papiermand waardoor brand in het paleis van justitie ontstaat.
De voorgestelde regeling is gelijk voor alle rechterlijke ambtenaren en
raio’s en heeft de volgende hoofdkenmerken. Derden die schade hebben geleden door «bedrijfsfouten» van rechterlijke ambtenaren of raio’s kunnen uitsluitend de Staat aanspreken. De Staat kan die («indirecte») schade niet verhalen op de rechterlijke ambtenaar of raio, tenzij deze het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid; hetzelfde geldt voor dergelijke schade geleden door de Staat zelf («directe schade»). Voor schade ten gevolge van rechterlijke uitspraken bestaat buiten artikel 852 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen persoonlijke aansprakelijkheid. Indien de Staat de schade verhaalt op de betrokken rechterlijk ambtenaar of raio, geschiedt dat langs bestuursrechtelijke weg.
De belangrijkste elementen van de voorgestelde regeling worden hierna afzonderlijk besproken.
Uitgangspunt is dat, indien een rechterlijk ambtenaar of raio aan een
derde schade berokkent door een daad die in de bedrijfssfeer ligt,
daarvoor op de Staat als «werkgever» een risico-aansprakelijkheid dient te rusten. In de meeste gevallen zal de Staat reeds op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn, omdat de fout aan de Staat wordt toegerekend, ofwel als fout van zijn orgaan, ofwel omdat de desbetreffende handeling anderszins in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de rechtspersoon heeft te gelden (HR 6-4-1979, NJ 1980, 34). De leden van de zittende magistratuur en het openbaar ministerie kunnen worden aangemerkt als organen van de Staat. Voor gerechtsauditeurs en raio’s is dit niet zonder meer het geval. Indien zij taken van een rechter, officier van justitie of griffier vervullen, zullen hun handelingen echter wel kunnen gelden als gedragingen van de Staat. In de meeste andere gevallen zal op de Staat de werkgevers-aansprakelijkheid van artikel 6:170 of wellicht de aansprakelijkheid van de vertegenwoordigde ex artikel 6:172 van het Burgerlijk Wetboek rusten.
Naast de civielrechtelijke persoonlijke aansprakelijkheid ingeval van opzet of bewuste roekeloosheid zijn ook de disciplinaire maatregelen mogelijk van berisping, inhouding op salaris, schorsing en ontslag, indien door handelen of nalaten ernstig nadeel wordt toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen (art. 46c sub c en art. 46ca WRRA).
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
§ 6A.2. Disciplinaire maatregelen
Artikel 46c
Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd, indien hij:
a. de waardigheid van het ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost;
b. de bepalingen overtreedt waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren of de verplichting wordt opgelegd de functionele autoriteit in kennis te stellen van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult; of
c. door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen.
Artikel 46ca
1 De disciplinaire maatregelen die ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
c. schorsing voor de duur van ten hoogste drie maanden; of
d. ontslag.
De rechterlijke taakvervulling wordt civielprocesrechtelijk ingekaderd met de volgende artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
Artikel 19
De rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.Artikel 20
1 De rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen.
2 Partijen zijn tegenover elkaar verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.Artikel 21
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.Artikel 22
De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.Artikel 23
De rechter beslist over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht.Artikel 24
De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.Artikel 25
De rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.Artikel 26
De rechter mag niet weigeren te beslissen.Artikel 111
1 Dagvaarding geschiedt bij exploot.
2 Naast de gegevens bedoeld in artikel 45, derde lid, vermeldt het exploot van dagvaarding:
a. / c. (...)
d. de eis en de gronden daarvan;
e. / l. (...)
3 Het exploot van dagvaarding vermeldt de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor. Verder vermeldt het exploot de bewijsmiddelen waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis.Artikel 128
1 (...)
2 De gedaagde neemt zijn met redenen omklede conclusie van antwoord op de eerste of op een door de rechter nader te bepalen roldatum, (...)
3 De gedaagde brengt alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen.
4 (...)
5 De conclusie van antwoord vermeldt de bewijsmiddelen waarover gedaagde kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, alsmede de getuigen die hij daartoe kan doen horen. De rechter kan gedaagde bevelen alsnog de ontbrekende gegevens te verstrekken.Artikel 149
1 Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.
2 Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.Artikel 150
De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.
Met name is voor wat betreft de stelplicht van belang dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 21 Rv.) en dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd (art. 24 Rv.).
De behoorlijke taakvervulling van de rechter wordt verder ingekaderd door de vaste rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens inzake de motiveringsplicht
7. Reasoning of judicial decisions
426. The guarantees enshrined in Article 6 § 1 include the obligation for courts to give sufficient reasons for their decisions (H. v. Belgium, 1987, § 53, and for a summary of the principles, Zayidov v. Azerbaijan (no. 2), 2022, § 91). A reasoned decision shows the parties that their case has truly been heard, and thus contributes to a greater acceptance of the decision (Magnin v. France (dec.), 2012, § 29).
427. Although a domestic court has a certain margin of appreciation when choosing arguments and admitting evidence, it is obliged to justify its activities by giving reasons for its decisions (Suominen v. Finland, 2003, § 36; Carmel Saliba v. Malta, 2016, §§ 73 and 79).
428. The reasons given must be such as to enable the parties to make effective use of any existing right of appeal (Hirvisaari v. Finland, 2001, § 30 in fine).
429. Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, but cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument (García Ruiz v. Spain [GC], 1999, § 26; Perez v. France [GC], 2004, § 81; Van de Hurk v. the Netherlands, 1994, § 61; Jahnke and Lenoble v. France (dec.), 2000).
430. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 29; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 27) and can only be determined in the light of the circumstances of the case: it is necessary to take into account, inter alia, the diversity of the submissions that a litigant may bring before the courts and the differences existing in the Contracting States with regard to statutory provisions, customary rules, legal opinion and the presentation and drafting of judgments (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 29; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 27). As to whether the Court of Cassation did not examine a ground of appeal raised by the applicant, or whether it assessed the relevance of the ground of appeal before deciding to reject it by means of brief reasoning, see Tourisme d’affaires v. France, 2012, §§ 28 et seq.; and also Higgins and Others v. France, 1998, § 43. In a case where a court had not explicitly examined the applicant’s complaint, the Court was able to accept that their silence on that complaint could reasonably be construed as an implicit rejection in the circumstances of the case (Čivinskaitė v. Lithuania, 2020, §§ 142-144). Where the case concerns national security, the secret nature of the documents concerned may limit the scope of the obligation to give reasons for judicial decisions (compare Regner v. the Czech Republic [GC], 2017, § 158 in fine, and, mutatis mutandis, Šeks v. Croatia, 2022, § 71).
431. However, where a party’s submission is decisive for the outcome of the proceedings, it requires a specific and express reply (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 30; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 28; and compare Petrović and Others v. Montenegro, 2018, § 43).
432. The courts are therefore required to examine:
▪ the litigants’ main arguments (Buzescu v. Romania, 2005, § 67; Donadze v. Georgia, 2006, § 35);specific, pertinent and important points (Mont Blanc Trading Ltd and Antares Titanium Trading Ltd v. Ukraine, 2021, §§ 82 and 84).
▪ pleas concerning the rights and freedoms guaranteed by the Convention and its Protocols: the national courts are required to examine these with particular rigour and care (Fabris v. France [GC], 2013, § 72 in fine; Wagner and J.M.W.L. v. Luxembourg, 2007, § 96). This is a consequence of the subsidiarity principle.433. Article 6 § 1 does not require a supreme court to give more detailed reasoning when it simply applies a specific legal provision to dismiss an appeal on points of law as having no prospects of success, without further explanation (Gorou v. Greece (no. 2) [GC], 2009, § 41; Burg and Others v. France (dec.), 2003).
Wat betreft de stelplicht zijn met name van belang
§ 431: wanneer het betoog van een partij doorslaggevend is voor de uitkomst van de procedure, is daarvoor een specifiek en uitdrukkelijk antwoord van de rechter vereist, en
§ 432: de rechter moet daarom de belangrijkste argumenten van de procederende partijen onderzoeken evenals specifieke, relevante en belangrijke punten.
Het in dit kader strooien van kraaienpoten en/of fabriceren van sinkholes op of in de weg van de rechtzoekende naar de waarheid en het verlangde recht, waardoor deze strandt en er dus geen recht wordt gedaan. vooronderstelt opzet en bewuste roekeloosheid althans minst genomen grof plichtsverzuim.
De waarheidsvinding wordt prematuur geblokkeerd !
Conclusie van A-G De Bock dd. 24-12-2021 ECLI:NL:PHR:2021:1228:
"Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’, waarvan het resultaat is dat de rechter uitspraak doet op basis van aannames in plaats van feiten. Vanuit een oogpunt van waarheidsvinding is dit een onwenselijke gang van zaken.” (§ 4.29)
Afdoen op stelplicht is zowel processueel als inhoudelijk fout.
Voor de onrechtmatigheid maakt dit geen verschil.
HR 30-09-2016 QNOW ECLI:NL:HR:2016:2215
3.4.3 (...) Er is geen grond om in dit verband een onderscheid te maken tussen enerzijds processuele fouten – of bepaalde processuele fouten – en anderzijds fouten bij de inhoudelijke beoordeling van een zaak. (...)
Rechterlijk vandalisme kan op drie manieren worden bestreden:
Allereerst is er sprake van onrechtmatige rechtspraak indien de rechter in zijn rechtsprekende taak opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld (kwade trouw) dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling (grof plichtsverzuim) meebrengt.
Naast aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden (art. 42 lid 1 WRRA) is ook mogelijk de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter jegens de Staat ingeval van diens opzet of bewuste roekeloosheid (art. 42 lid 2 WRRA).
Bovendien zijn de disciplinaire maatregelen mogelijk van berisping, inhouding op salaris, schorsing en ontslag, indien door handelen of nalaten ernstig nadeel wordt toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen (art. 46c sub c en art. 46ca WRRA).
12-6-2024
| ◄▬ | Afdoen op stelplicht | ▬► |