| ◄▬ | Aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad | ▬► |
| Verzoek om af te zien van toepassing van artikel 81 lid 1 RO |
| Antwoord |
| Commentaar |
30 juli 2024
Aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad
Mr. F.W. Bleichrodt
Postbus 20303
2500 EH 's-Gravenhage
Geachte heer Bleichrodt,
Hierbij wend ik mij tot u met het verzoek om op de voet van artikel 46o lid 1 jo. lid 2 Wet Rechtspositie Rechterlijke Ambtenaren (WRRA) ambtshalve te vorderen dat de Hoge Raad de disciplinaire maatregel van ontslag althans een van de andere in artikel 46ca WRRA bedoelde disciplinaire maatregelen oplegt aan mrs. E.J. van Sandick, R.A. van der Pol en H.K.N. Vos, die als raadsheren van het Gerechtshof te
’s-Hertogenbosch in mijn zaak tegen de Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen (UMC St. Radboud Ziekenhuis) in verwijzing na cassatie op 5 april 2022 arrest gewezen hebben, in welk arrest het hof heeft bekrachtigd de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 3 maart 2010, 28 juli 2010, 27 oktober 2010 en 28 november 2012 met mijn veroordeling in de proceskosten. Mijn cassatieberoep tegen ’s hofs arrest is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 30 juni 2023 met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ook al heeft ’s hofs arrest gezag van gewijsde, het is naar mijn mening manifest onrechtmatig op de navolgende gronden:1. Het hof heeft de zaak afgedaan op stelplicht. Al vele jaren is ‘afdoen op stelplicht’ bekritiseerd (o.a. Asser in 2012, Van der Kraats in 2018 en De Bock in 2021) zonder merkbaar resultaat zoals mijn zaak ook laat zien.
a. Het hof Den Bosch is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft ten mijnen laste stelplicht en bewijslast omgekeerd omdat ik iets niet had gesteld wat onmogelijk gesteld had kunnen worden, namelijk dat de Miragelplombe, vergeleken met andere beschikbare hydrogel plombes, een grotere kans heeft op zwellen of op andere complicaties.
Er zijn geen andere hydrogel plombes beschikbaar geweest en deze plombes zijn dan ook niet in het processueel debat tussen partijen aan de orde geweest. De Miragelplombe was de enige commercieel beschikbare hydrogel plombe, zoals is gesteld in de memorie in verwijzing na cassatie (§ 102-103) met citaten uit artikelen, die tot de processtukken behoren.
Bovendien negeerde het hof ook nog eens het - op grond van het deskundigenrapport van 24 juni 2011 - vaststaand gegeven dat het grote verschil tussen de Miragel plombe en de siliconenplombe is de zwelling en de fragmentatie van het Miragel materiaal. De hydrogel Miragel plombe had nu juist in vergelijking met andere wel beschikbare siliconen plombes met dezelfde functionaliteit een grotere kans op zwellen of op andere complicaties. Dit gegeven is door het hof volstrekt genegeerd.
Het hof heeft dusdoende een zogenoemd ‘sinkhole’ (Van der Kraats) gefabriceerd om mijn zaak te doen stranden.
Mitsdien is sprake van evident onrechtmatige rechtspraak, ook al heeft het arrest van het hof gezag van gewijsde, omdat het cassatieberoep hiertegen in het 2e Miragel arrest is verworpen met art. 81 lid 1 RO.b. Kern van het geschil in verwijzing na cassatie was de vraag of de Miragelplombe op het moment van de operatie (juli 1992) "state of the art" was (hof rov. 3.6). Het antwoord hierop vergde (her)beoordeling op basis van deze nieuwe maatstaf van alle van belang zijnde feiten, zowel voor als na verwijzing. De waardering van de feiten was afhankelijk van de –in de verwijzingsprocedure nieuwe– rechtsnorm waaraan die feiten dienden te worden getoetst.
In verwijzing na cassatie is door mij uitvoerig gesteld dat en waarom de Miragelplombe in juli 1992 niet (langer) als “state of the art” kon worden beschouwd en is ook het bewijs van die stellingen geleverd. Mijn memorie in verwijzing § 151 luidt: “Met dit artikel van Marin ea, het Editorial van Thompson en Chambers (‘Good Ideas Gone Bad: The MIRAgel Saga’) en de overige door hem in het geding gebrachte artikelen levert Sassen het bewijs van zijn stelling dat de Miragel plombe ten tijde van het gebruik bij hem op 6 juli 1992 niet (langer) ‘state of the art’ kon zijn.”.
De overweging van het hof (rov. 3.14) dat "na verwijzing onvoldoende (nieuwe) stellingen zijn ingenomen om te kunnen oordelen dat de Miragelplombe niet (langer) 'state of the art' was bij gebruik als extrascleraal implantaat" is het fabriceren van een sinkhole, waarin zo'n kleine 70 bladzijden aan 'nieuwe' stellingen' c.q. stellingen op basis van de nieuwe normatieve grondslag van 'state of the art' zijn verdwenen.
Een dergelijke sinkhole fabriceren teneinde de rechtzoekende te doen stranden op de weg naar waarheid en het verlangde recht is eveneens evident onrechtmatige rechtspraak.
2. Een variant op het 'afdoen op stelplicht' is deze dat de rechter aan een essentiële stelling de essentie ervan ontneemt en vervolgens deze 'uitgeklede' stelling verwerpt.Het hof Den Bosch heeft mijn stelling, dat de oorzaak van de lange termijn complicaties van de Miragel plombe was gelegen in het materiaalgebrek (“serious flaw in the MIRAgel material”), ontdaan van zijn essentie door in rov. 3.10 “serious flaw" uitsluitend te betrekken op de Miragel plombe zelf en niet op het MIRAgel materiaal, waaruit deze plombe is vervaardigd. Of “serious flaw” wordt gerelateerd aan het MIRAgel materiaal of aan de Miragel plombe, maakt een wezenlijk verschil. De zwelling van het MIRAgel materiaal zelf bleek uit het artikel van Marin ea van januari 1992. Dat de uit dit zelfde MIRAgel materiaal vervaardigde episcleraal geplaatste Miragel plombe eveneens dat materiaalgebrek had, bleek pas uit het artikel van Hwang ea van september 1997.
Door het oordeel aldus te beperken tot de plombe en mijn stelling met betrekking tot het MIRAgel materiaal te negeren heeft het hof een kraaienpoot gestrooid met fatale gevolgen, waardoor voor mij de weg naar de waarheid en het verlangde recht is doodgelopen.
Mitsdien is sprake van evident onrechtmatige rechtspraak.Voor verdere toelichting verwijs ik naar de navolgende pagina’s uit mijn webboek ‘Miragel plombe’, www.miragelplombe.nl’, die geprint als bijlagen bij deze brief zijn gevoegd en waarvan de tekst als hierbij herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Ad 1
Pagina ‘Afdoen op stelplicht’ (bijlage 1)
Pagina ‘Afrondend’ § ‘Rechterlijk vandalisme’, ‘Slotsom’ en ‘Aanbevelingen’ (bijlage 2)
Ad 1.a.
Pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (1)’ (bijlage 3)
Ad 1.b.
Pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (2)’ (bijlage 4)
Ad 2.
Pagina ‘Afdoen op stelplicht – varianten’ (bijlage 5)
Pagina ‘Afdoen op stelplicht - variant - hof Den Bosch’ (bijlage 6)
Pagina ‘Afrondend’ § ‘Rechterlijk vandalisme’, (bijlage 2)Het hof heeft aldus in zijn rechtsprekende taak opzettelijk of bewust roekeloos - als bedoeld in art. 42 Wet Rechtspositie Rechterlijke Ambtenaren - gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
Tevens is hierdoor ernstig nadeel toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen als bedoeld in art. 46c sub c WRRA.Het ‘afdoen op stelplicht’ komt in driekwart van de zaken voor (Van der Kraats) en vormt een grove misstand die het vertrouwen in de rechtspraak fundamenteel ondermijnt. Geen vertrouwen kan worden gesteld in sinkholes fabricerende en kraaienpoten strooiende rechters. Het rechtsverkeer dient gevrijwaard te zijn van vandalisme. Het komt nu aan op het zelfreinigend vermogen van de rechterlijke macht om dit vertrouwen te herstellen.
Afschrift van deze brief met bijlagen zend ik per gelijke post naar de Staatsecretaris Rechtsbescherming met het verzoek te entameren dat artikel 24 W.v.B.Rv. wordt aangevuld ter voorkoming van verder ‘afdoen op stelplicht’ (bijlage 7).Deze brief wordt tevens in het webboek opgenomen als ‘open brief’.
Gaarne in afwachting van uw bericht.
Hoogachtend,
J.H. SassenBijlagen
1. pagina ‘Afdoen op stelplicht’
2. pagina ‘Afrondend’ § ‘Rechterlijk vandalisme’, ‘Slotsom’ en ‘Aanbevelingen’
3. pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (1)’
4. pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (2)’
5. pagina ‘Afdoen op stelplicht – varianten’
6. pagina ‘Afdoen op stelplicht - variant - hof Den Bosch’
7. mijn brief van heden aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming met het verzoek te entameren dat art. 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt aangevuld ter voorkoming van het zogeheten ‘afdoen op stelplicht’.
4-8-2024
Addendum
Op 6 september 2024 is bovenstaande brief beantwoord als volgt:
Geachte heer Sassen,
Uw brief van 30 juli 2024 met bijlagen, die op 5 augustus is ontvangen door mijn secretariaat, betreft de uitspraak van het hof Den Bosch van 5 april 2022 in uw zaak tegen het UMC St. Radboud Ziekenhuis. U schrijft dat het hof de zaak ten onrechte heeft afgedaan op het niet voldoen aan de stelplicht en dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak. U verzoekt mij te vorderen dat de Hoge Raad een disciplinaire maatregel zal opleggen aan de raadsheren die de uitspraak hebben gewezen.
Tegen de uitspraak van het hof hebt u beroep in cassatie ingesteld. Uw grieven tegen het oordeel over de stelplicht zijn beoordeeld door de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft op 30 juni 2023 uw cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ik stel voorop dat de wet mij niet toestaat buiten de cassatieprocedure te interveniëren in zaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn of zijn geweest. Wat betreft het beroep in cassatie is de wettelijke taak van de procureur-generaal en de advocaten-generaal het nemen van een aan de Hoge Raad uit te brengen conclusie. In de conclusie geeft de procureur-generaal of een advocaat-generaal zijn of haar mening en advies over de ter beslissing voorliggende zaak.
Vervolgens kunnen de procespartijen hun commentaar op de conclusie schriftelijk doen toekomen aan de Hoge Raad. Hierna is het debat gesloten en doet de Hoge Raad uitspraak.
Evenmin kunnen uw bezwaren tegen de uitspraak van het hof opnieuw ter beoordeling worden voorgelegd door een beroep te doen op bepalingen in de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).
In de Wrra zijn aan de procureur-generaal geen bevoegdheden toegekend ter zake van (claims wegens) vermeende onrechtmatige rechtspraak.
Voor zover u stelt dat aan de desbetreffende raadsheren een disciplinaire maatregel moet worden opgelegd omdat zij door hun handelen ernstig nadeel hebben toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het daarin te stellen vertrouwen, geldt het volgende.
De omstandigheid dat een rechter een beslissing heeft gegeven waarmee de betrokkene het niet eens is, is geen grond voor het opleggen van een disciplinaire maatregel. De inhoudelijke controle op rechterlijke beslissingen vindt plaats doordat die beslissingen - via het stelsel van rechtsmiddelen zoals hoger beroep en cassatie - ter toetsing en vernietiging kunnen worden voorgelegd aan een hogere rechter. Die weg hebt u gevolgd en met de uitspraak van de Hoge Raad is het eindpunt daarvan bereikt. De bevoegdheden die in hoofdstuk 6A van de Wrra zijn toegekend aan de procureur-generaal en de Hoge Raad kunnen niet worden aangewend als een aanvulling op het rechtsmiddelenstelsel.
Ik kan u niet van dienst zijn.
Hoogachtend,
de procureur-generaal,
F.W. Bleichrodt
Aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is verzocht disciplinaire maatregelen op te leggen aan de raadsheren van het Bossche hof, die welbewust, tegen beter weten in, met succes een sinkhole hadden gefabriceerd en een kraaienpoot hebben gestrooid om de rechtzoekende op zijn weg naar de waarheid en het verlangde recht te doen stranden.
De P-G acht zich daartoe echter niet bevoegd. "In de Wrra zijn aan de procureur-generaal geen bevoegdheden toegekend ter zake van (claims wegens) vermeende onrechtmatige rechtspraak."
Hij negeert het bekritiseerde 'afdoen op stelplicht' en evenals de concreet aan het Bossche hof gemaakte verwijten.
In zijn Van der Grintenlezing in Nijmegen op 28 november 2024 zegt P-G Bleichrodt o.m. het volgende:
De rechtspraak over tuchtrecht en ontslag is beperkt. De president van het gerecht waar de betrokken rechter werkzaam is kan zelf alleen een berisping opleggen. De oplegging van andere tuchtrechtelijke sancties is voorbehouden aan de Hoge Raad. De Hoge Raad beslist in dergelijke gevallen op vordering van de procureur-generaal, die in dit verband ook aanspreekpunt en klankbord is voor presidenten van de gerechten als het gaat om disciplinaire kwesties die rechters betreffen. Ook voert de procureur-generaal in dat verband wel oriënterende en reflectieve gesprekken met rechters. Een enkele keer trekt de betrokken rechter daaruit zijn of haar conclusies en vraagt ontslag aan voordat het tot een vordering is gekomen. De Hoge Raad kan sinds 2019 ook een berisping opleggen.
De Hoge Raad kan dus op vordering van P-G aan de rechter tuchtrechtelijke sancties opleggen. Dat is hetgeen is verzocht. De P-G acht zich dus niet bevoegd om te vorderen dat de Hoge Raad tuchtrechtelijke sancties oplegt aan kraaienpoten strooiende en sinkholes fabricerende rechters die de rechtzoekende doen stranden op de weg naar waarheid en het verlangde recht.
27-10-2025
| ◄▬ | Aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad | ▬► |